1946-1960 Sint Jorisdag 23 april

Tijdens mijn Scoutingtijd (1949-1978) bij De Geuzen

werd op 23 april de jaarlijkse Sint Jorisbijeenkomsten gehouden.

Dat hield aanvankelijk in dat je ’s morgens om 7.00 uur in correct uniform, de eerste jaren was dat dus met korte broek, aanwezig moest zijn op het Ronde Weitje aan de voet van de Belvedère in Sonsbeek. Daar kwamen de welpen en verkenners van de meeste groepen van het district Arnhem van de NPV bijeen. Na het hijsen van de Nederlandse vlag en de horderoep gaf de districtscommissaris uitleg

over de betekenis van St. Joris. Tenslotte kregen alle aanwezigen een rode tulp, als symbool van het bloed van de draak die St. Joris verslagen had. Die dag liep je in uniform en zo ging je ook naar school.

’s Avonds kwamen De Geuzen op De Rotsblokken weer bijeen rond het kampvuur. Daar werd gezongen, de legende van Sint-Joris werd verteld afgesloten met het vernieuwen van de welpen- en de verkennersbelofte.

Na de fusie van de 4 Scouting verenigingen in 1972, kwamen de jongensgroepen niet meer in Sonsbeek bijeen. Enkele keren kwam men nog bijeen op de Grote markt. Scouting Nederland probeerde één nieuwe vorm te vinden als vervanger voor van Sint Jorisdag (23 april) en Baden Powelldag (22 februari). Scoutingdag werd dat genoemd.

Op zoek naar meer informatie over Sint Jorisdag kwam ik deze uitgave van het blad De Verkenner tegen. Toevallig een uitgave van het jaar dat De Geuzen opgericht werden: 1946.

De tekst onder de foto op het voorblad luidt:

Zo, in het diepste geheim, hernieuwden wij in de oorlog op elke St. Jorisdag onze Belofte. Dit jaar vieren wij, Nederlandse Padvinders, weer voor ’t eerst in vrijheid de dag van onzen schutspatroon.

De inhoud van dit nummer van de verkenner kun je hier inzien

In de Arnhemsche Courant werd jaarlijks aan Sint Jorisdag aandacht geschonken

1946

1953

Het is vandaag St. Jorisdag, en dus wemelde het vanmorgen in Arnhem van voortrekkers, verkenners en welpen, die zich opmaakten om deze dag te gaan gedenken, om hun belofte bij de installatie afgelegd te gaan hernieuwen. Om zeven uur verzamelden zich de padvinders van „De Nederlandsche Padvinders” op de Grote Markt rond de vlaggemast. De Veluweband was opgemarcheerd met tromgeroffel en trompetgeschal tot vlak bij de mast, waar de twee vlaggen — het rood-wit-blauw en de witte vlag met het grote rode kruis — klaar lagen om gehesen te worden. In carré hadden de padvinders zich opgesteld om te luisteren naar de districtscommissaris, dr. B. G. van Griethuijsen, en naar ADC-W R. Giethoorn. Deze laatste wees op het belang van de padvlnders-belofte en sprak de hoop uit, dat ook het komend jaar een goed padvindersjaar zou worden.

Inmiddels verlieten de Katholieke Verkenners de St. Martlnuskerk, waarom zes uur vanmorgen een dienst wasgehouden. De districtsaalmoezenier, pastoor Schinkel, had een korte preek gehouden. Daarna trok de stoet — de Arnhem-band voorop — naar het voorplein van MusisSacrum. Ook de Katholieke padvinders stelden zich in carré op voor de vlaggenparade. Commissaris J. B. Max stak dé jongens een hart onder de riem met het oog op het komende jaar. Een traditionele plechtigheid gelegenheid van deze dag een rode tulp, de St. Jorisbloem.

De traditionele plechtigheid geschiedde in alle vroegte, toen Arnhems straten nog verstoken waren van het vele, drukke verkeer. De lentezon verleende rijkelijk medewerking aan dit plechtige padvindersfeest. Moge vanavond de maan breed aan de hemel staan als bij de verschillende troephuizen de kampvuren oplaaien, alles ter ere van St. Joris, het lichtend voorbeeld voor alles wat ooit de padvindersbelofte afgelegd heeft.

1954

 

 

1955

1956

 St. Joris

Het is vandaag alweer een indrukwekkend aantal eeuwen geleden dat Sint Joris de draak versloeg. Draken zijn nu eenmaal oud (en taai). De padvinders zullen het echter nooit vergeten. Deze strijdbare heilige, St. Joris, is hun held en het symbool van hun streven. Vanmorgen waren ze er vroeg voor opgestaan en om zeven uur was het appèl op het Ronde weitje in Sonsbeek waar de vlaggen plechtig in top gingen en de viering van St. Jorisdag begon. De foto geeft een indruk van deze vroege plechtigheid.

 

St. Joris in Arnhem

Volgens de traditie vieren de Arnhemse padvinders op 23 april a.s. Sint Joris-dag, samen met hun broederspadvinder over de gehele wereld. Sint Joris is voor de padvinders n.l. het ideaal: de ridder, die er op uit trok om de draak te bevechten. Op St. Jorisdag hernieuwen de padvinders over de gehele wereld aan hun kampvuren de belofte die zij vroeger aflegden. En hierdoor is deze dag bij uitstek de gebeurtenis, waarbij de nadruk wordt gelegd op de wereldbroederschap. Als voorbereiding op deze dag wordt zondagavond 22 april in de Koepelkerk te Arnhem een Padvindersaandacht gehouden, o.l.v. ds. W. F. Jense, Evangelisch Luthers predikant te Apeldoorn. Deze Aandacht, die om 19.00 uur aanvangt, is bedoeld voor alle welpen, verken-ners en voortrekkers, alsmede voor de leden van het Nederlands Padvindsters Gilde. Ook belangstellende zijn hartelijk wel-kom.

De viering van St. Jorisdag wordt op 23 april ingezet met een vlaggenparade, welke plaats vindt op het Ronde Weitje. Des morgens om 7 uur komen welpen, verkenners en voortrekkers met hun leiders daar bijeen om tezamen de vlaggen te hijsen. De traditionele rode tulp wordt hier uitgereikt. Gedurende de verdere dag zal door alle padvinders het uniform worden gedragen. Des avonds houden alle groepen hun kampvuur, waarbij de belofte wordt hernieuwd.

 1960

Padvinders vierden Sint Jorisdag

Meer dan duizend padvinders: voortrekkers, verkenners en welpen, de Arnhem-Band van de Veluwe-verkenners, verkenners van de N.P.V. en de V.K.J.B. stonden vanmorgen ruim zeven uur op de Grote Markt in de gure wind aangetreden voor de jaarlijkse Sint Joris-viering en voor de viering van het gouden jubileum van de padvindersbeweging in Nederland. Ze waren vanmorgen al vroeg uit de veren; de katholieke verkenners hadden tevoren de Heilige Mis in de Sint Walburgkerk bijge-woond. De Arnhem-Band trommelde in de koude morgen de langslapers wakker. Aangezien de K.R.O. de korte plechtigheid op het marktplein uitzond, was alles getimed, gingen prompt kwart over zeven de vlaggen in top en werd de verkennerswet gelezen.

De districtscommissaris van de VKJB, de heer J. B. Max, hield een korte toespraak, waarin hij op kernachtige wijze zei dat oudere mensen zich veel met de jeugd bezighouden. Het is zo belangrijk dat jullie het spel spelen. De ouderen vragen zich af: is dit spel er nog wel? Hier is het antwoord. Dit spel moet je spelen met je gehele hart en daarom moet een beroep worden gedaan op leiders en leidsters die dit spel enthousiast willen spelen. De heer Max liet Tom Bouws, die de jeugduitzendingen van de KRO verzorgt, naar voren komen en overhandigde hem voor het front van de padvindersgroepen de zilveren Jacobs-staf wegens zijn grote verdiensten voor de padvinderij in ons land. Twee zeeverkenners van de Miguel Pro-groep uit Arnhem offreerden de gehuldigde bloemen. De Sint-Joristulp werd uitgereikt; de bloemen die over waren gaan naar zieke padvinders en naar allen die gaarne op deze dag een geschenk van de natuur wensen.

Districtscommissaris ir. F. F. Venstra van de NPV sprak een kort slotwoord, de Sint Jorisboodschap voorlezend. In 1910 werden de eerste Nederlandse verkenners geïnstalleerd. En daarom staan vanmorgen 80.000 Nederlandse padvinders tegelijktijdig onder de vlaggen geschaard om de Sint Jorisdag én ons jubileumjaar te openen. Zij wensen ons een plezierig ju-bileum toe, maar verbinden daaraan de wens dat wij ons dit jaar allen van onze beste zijde zullen laten zien. Houdt de padvinderswet in ere en probeer te doen wat we bij onze installatie en de belofte hebben toegezegd. Laten we vooral een echte pad vinder zijn en laten we doen wat beloofd is. Als vanavond het kampvuur is gedoofd, laat dan niet de padvinders-geest doven, zei ir. Venstra.

Districtscommissaris Max sprak er ten slotte zijn blijdschap over uit dat de katholieke verkenners thans 35 jaar in de Nederlandse padvinderij meespelen. De viering was begonnen met de horde-roep. Het “Hoort zegt het voort” was gezongen en men besloot de plechtigheid met het zingen van het eerste couplet van ons volkslied.


Sint Joris en de draak-

Een moderne bewerking van het verhaal van de drakendoder

Uit: Volksverhalen Almanak

 

Lang, lang geleden gebeurde er elk jaar iets vreselijks in een stad, gewoon hier in Nederland. In die stad, die we nu kennen als Ridderkerk, leefde toen een hele enge draak. Een draak met wel vier koppen en een vreselijke adem. Deze draak wilde elk jaar een mooi jong meisje om haar lekker op te peuzelen. De koning van die stad was wel rechtvaardig, want elk jaar deed hij alle namen van de meisjes in de stad in een grote ton en werd er eentje getrokken. Dat meisje was dan degene die naar de draak werd gestuurd.

Elk jaar waren de bewoners bang; welk meisje zou het lot dit keer aanwijzen? Ook nu kwam de draak weer te voorschijn en eiste een mooi, jong meisje. Op een vol plein bij het kasteel trok de koning het lot.

Hij schrok zich een hoedje, want op het lot stond de naam van zijn dochter, de prinses. Wat nu? Hij kon niet snel een nieuw lot pakken, want iedereen was aan het kijken. Hij moest zijn dochter wel cadeau doen aan de draak. Wat vreselijk! Hoe moest hij dat aan de koningin vertellen? Zijn vrouw wou er niets van weten en vroeg de koning om een oplossing te bedenken. Al ijsberend door het kasteel bedacht hij iets.

“Ik zal alle ridders de uitdaging geven de draak te doden en als beloning mag de ridder die de draak doodt met onze dochter trouwen.”

Zo gezegd, zo gedaan. Een boodschapper ging de stad door op zoek naar dappere ridders, die de draak wel wilden doden. Maar niemand durfde.

Er was één man in de stad die de draak wel durfde doden, maar hij was maar een gewone schildknaap en geen ridder. Die man heette Joris. Joris meldde zich toch maar bij de heraut. “Ik wil die draak wel doden!” zei Joris. De heraut ging terug naar de koning en vertelde hem wat Joris had gezegd. De koning vond het goed en al snel ging het in de hele stad rond, dat Joris zijn leven ging wagen voor de dochter van de koning en al die mooie jonge meisjes, die de draak de jaren erna nog zou opeisen. Joris had echter een probleem: omdat hij geen ridder was, had hij helemaal geen ridderuitrusting. Hij had geen zwaard, geen schild, zelfs geen paard. De koning leende hem zijn spullen uit en gaf hem raad. Onder applaus van de mensen uit de stad ging hij op zoek naar de draak.

Joris dwaalde op het paard van de koning rond op zoek naar de draak. Opeens stopte het paard met lopen en Joris zat ineens stokstijf stil. In de verte hoorde Joris de draak brullen en grommen: “Waaaaauuuuw!”

Joris was een stoere held, maar werd nu toch wel bang, toch dacht hij er niet over om nu terug te keren naar de koning en te melden dat hij niet durfde. Nee, dat zou te gemakkelijk zijn. Joris gaf zijn paard de sporen en het galoppeerde in de richting waar het geluid vandaan kwam. Plotseling stopte het paard. Joris keek tegen het grote, lompe lichaam van de draak aan. De draak spuwde vuur en probeerde Joris van zijn paard te stootten. Joris pakte zijn zwaard stevig in de hand en zwaaide er driftig mee rond. Een hevige strijd begon. Zowel Joris als de draak leverden een zware strijd. Joris liep verwondingen op, maar vocht dapper door, daardoor raakte de draak op een gegeven moment ook gewond. Joris vocht voor zijn leven en voor het paard van de koning.

Na een paar uur strijd bracht Joris de draak de genadeklap toe en de draak viel kreunend en steunend dood neer. Joris had gewonnen. De koning had als eis gesteld dat Joris één van de hoofden van de draak zou meenemen als bewijs dat de draak echt dood was. Joris’ zwaard hakte het hoofd van de draak in een slag af en hij nam het mee naar de koning.

Toen de mensen in de stad Joris aan zagen komen, ging een luid gejuich op. “Lang leve Joris!” riepen de mensen.

De koning kwam zijn paleis uitrennen, gevolgd door de koningin en de prinses. Joris gaf het hoofd van de draak aan de koning.

“Gefeliciteerd,” zei de koning, “jij bent een echte held! Nu mag je met mijn dochter trouwen en ben je voortaan een echte ridder.”

De koning sloeg Joris tot ridder en vanaf toen heette Joris Sint Joris. Hij trouwde niet met de dochter van de koning, want hij was teveel gehecht aan zijn vrijheid. Maar hij leefde nog wel heel lang en gelukkig!

1969-2006 Overzicht zomerkampen zeeverkenners

Tim Krooneman verzamelde de gegeven van de jaren1969-1982, Anton Craanen die van de jaren 1983-2006

 

[ ] Giethoorn  (Tim Krooneman)  1969                          Groepsfoto                    fotoalbum

                                             [ ] Bijland  (Albert van den Ham)  1970

                                             [ ] Zwartsluis (Albert van den Ham) 1971

[ ]                   (Henk Wuestman) 1972

[ ] Dwarsgracht  (Jaap Duisterwinkel) 1973                                                          foto’s

[ ] Tocht NM-Overijssel (Willem de Heer) 1974

[ ] Tocht Nederland (Willem de Heer) 1975

[ ] Rhederlaag (Willem de Heer) 1976

[ ] Veerse Meer (Sjaak Meyer) 1977

[ ] Beulakerwijde  (Willem de Heer) 1978

[ ] Dwarsgracht (?) 1979

[ ] Zwolle ( Sjaak Meyer) 1980

[ ]  ?                      (Henk Wuestman) 1981

[ ] Langweer (Willem de Heer) 1982

[ ] Giethoorn aak (Bert Lans)   1983                             Groepsfoto

[ ] Idskenhuizen (Frits Craanen)  1984                         Groepsfoto

[ ] Idskenhuizen (Frits Craanen) 1985                          Groepsfoto

[ ] De Kaag (Theo Boekhorst) 1986                                Groepsfoto                     fotoalbum

[ ] Terhorne (Theo Boekhorst) 1987                              Groepsfoto                     fotoalbum

[ ] De Biesbosch (Theo Boekhorst) 1988                      Groepsfoto                    fotoalbum

[ ] Terhorne (Alex Coljee) 1989                                      Groepsfoto  

[ ] Idskenhuizen (Alex Coljee) 1990

[ ] Trektocht Aak (Alex Coljee) 1991

[ ] Veere (Arjen Jongepier) 1992-

[ ] Heeg 1993 (Alex Coljee)

[ ] Elburg 1994 (Alex Coljee)

[ ] Idskenhuizen 1995 (Mark Vlaswinkel)

[ ] Zwartsluis 1996 (Mark Vlaswinkel)

[ ] Nawaka 1997 (Mark Vlaswinkel/Anton Craanen

[ ] Dwars in de weg 1998 (Anton Craanen)

[ ] Idskenhuizen 1999 (Anton Craanen)

[ ] Brielle 2000 (Anton Craanen)

[] Zeewolde 2001 (Anton Craanen)

[ ] Nawaka 2002 (Anton Craanen)                                     Groepsfoto

[ ] Sneek 2003 (Garret Lefrandt)                                        Groepsfoto

[ ] De Biesbosch 2005 (Sander Hulshof)

[ ] Nawaka 2006 (Sander Hulshof)

Anton Craanen: Mijn eerste kamp was Idskenhuizen 1984 (Ik mocht mee ivm vader die schipper was) en die van Jeroen Boekhorst was een jaar later.

1980 Hoe kwam Han Buurman binnen bij Scouting?

In 1980 werd ik op het terrein van Rijkswaterstaat aan de Rosandepolder benaderd

door Tom Krooneman, ouder van een zeeverkenner die bij de KEMA werkte. Hij had vernomen dat ik met mijn werk voor een groot deel belast was met het onder-houd van Rijksvaartuigen, en ja, daar kwam de aap uit de mouw.

“Mijnheer Buurman, wij hebben een sleepboot gekocht en daar hebben wij veel pech mee. Onlangs, door motorpech, moesten wij de reis naar het zomerkamp ter hoogte van Zwolle afbreken en hebben de sleepboot in een grindgat aldaar verankerd. Na het terugkeren van het zomerkamp was de sleepboot door onbekende oorzaak gezonken.Een bergingsbedrijf heeft de sleepboot boven water gehaald en nu ligt hij hier in de haven bij scouting. De motor is stuk. Zou U voor ons eens willen kijken wat wij moeten doen aan de motor.”

Aangekomen op het scoutingterrein lag daar De Geus. Samen stapten we aan dek. Ik schrok me rot, mijn eerste opmerking was “Hier ga ik niet naar binnen”. Één grote vetzooi door de olie die van de motor door de hele machinekamer was gelopen. Ik maakte een afspraak: “Maak eerst dat schip van binnen schoon en dan praten we verder…..”. Al snel werden er zeever-kenners ingezet en zij maakte met veel enthousiasme het schip schoon.

Intussen had ik de beschikking over de motorgegevens en nam contact op met een oude schoolvriend, Jan Markerink uit Lobith, die nog veel onderdelen en ervaring had met binnenscheepvaartmotoren. Na een gesprek met hem gaf hij mij te kennen “Han dit gaat klauwen met geld kosten, zo’n motor is leuk voor een hobbyist maar voor scouting is dit niet op te brengen”. Zijn advies was, vervang dit zooitje voor een GM of een DAF, dan heb je veiligheid en betrouwbaarheid.  Bij Rijkswaterstaat hadden we veel ervaring met DAF en GM motoren.

Ik ging op pad bij voor mij bekende betrouwbare relaties, legde het verhaal uit bij firma van Mill in Hardinxsveld en zij waren genegen om te kijken of er ergens nog een DAF compleet met keerkoppeling te vinden was. En ja daar kwam voor een redelijke prijs een DAF 615 compleet met keerkoppeling op de proppen. Heb het bestuur van De Geuzen voorgesteld om, indien ze interesse hebben, ga kijken en dan hoor ik het wel. Ik houd me uitsluitend bezig met techniek en kan niet beslissen over jullie financiën.

Eén van de ouders, Kees de Keizer, die ervaring had met DAF motoren in bussen van het Gemeentelijk VervoerBedrijf in Arnhem, ging samen met een delegatie kijken en onderhandelen. Zij besloten samen de motor te kopen. De motor, compleet met keerkoppeling, kwam aan bij Rijkswaterstaat en werd daar opgeslagen

En toen moest het gebeuren: “Plan de campagne”. Oude motor eruit, motorfundatie aanpassen, complete nieuwe elektrische installatie aanbrengen, schroef en schroefas aanpassen. Een mega klus met nog veel onverwachte werkzaamheden. En dit doe je niet alleen, gelukkig waren we samen met een geweldig bestuur en zeeverkenners

De schipper van de zeeverkenners, Theo Boekhorst, berekende en tekende de nieuwe motor fundatie, Kees de Keizer zorgde voor een nieuwe tussenas en Hans Kramer, chef werkplaats van de KEMA, liet de schroefas en het schroefaslager aanpassen.

Bert Lans en Frits Kramer (zoon van Hans) zorgden voor de nodige ondersteuning. Siem Coljee, ouders van twee zeeverkenners en lid van het Stichtingsbestuur De Geuzen, wist hier en daar wat centjes los te kloppen en sleutelde mee of het zijn dagelijks werk was.

Ook de zeeverkenners waren niet te stuiten Martin Lem, Bas, Mark, Alex Coljee en nog vele anderen. Bij Alex moest de rem erop, hij was er dag en nacht mee bezig stopte veel energie en tijd in de Geus en vergat daardoor zijn opleiding op de HTS.

Het was duidelijk wat er allemaal binnenboord moest gebeuren, maar hoe zag het er onderwater uit? Wat staat ons nog meer te wachten? Hiervoor moest de Geus het water uit. Op een zaterdag De Geus uit het water getakeld en op de wal gezet bij Rijkswaterstaat. Het onderwaterschip was geheel begroeid met een dikke laag  algen en mosselen. Dus met de hogedrukreiniger en veel krabben en poetsen het onderwaterschip schoongemaakt

Huiddikte gemeten, OEI  !!! de scheepshuid  was wel erg dun en uit ervaring wist ik dat als zo een oud schip uit het water is geweest er spanningen op de romp komen en klinknagels kunnen gaan lekken. De Geus moest wel weer het water in ik kon hem niet laten staan op de wal bij Rijkswaterstaat. Dus Alex kreeg de opdracht mee “Ga zondagmorgen kijken of er geen kleine lekkage op de huid is en als dat zo is trek een reddingkleed onder het schip door zodat de lekkage wordt tegen gehouden.

En Ja hoor !!!! Op zondagmorgen vroeg stond Alex en zijn vader op Camping de Hooge Veluwe bij mijn Caravan:   “Mijnheer Buurman De Geus is lek er staat een veel water onder de vloer”. Dus als een speer naar de Rijkswaterstaat, De Geus uit het water getakeld en ja hoor een lek in het vooronder! Wat nu? Las een plaatje er over? Maar de huid was flinter dun om te lassen. Hier en daar waren de alarmbellen gaan rinkelen en kwam er hulp vanuit de groep. Bert Lans kwam en we bespraken de zaak. Bert kwam met een geniale oplossing: “Han als we een lek in het zwembad (waar Bert werkte) hebben, dan dichten we dat met een kunsthars en dat heb ik voldoende in voorraad”. Terwijl Bert de kunsthars ging halen, maakten wij een bekisting op de boden van het vooronder. De kunsthars werd gestort en moest daarna uitharden voordat De Geus het water in kon.

Wat Nu? Besloten werd om De Geus de hele nacht op de wal te laten staan en maandag in alle vroegte te water te laten. Zo gezegd, zo gedaan. En op maandag was het net of er in het weekend helemaal niets was gebeurd. De Geus dreef weer als van oudst en Rijkswaterstaat kon gewoon zijn gang weer gaan. PFFFFFFF……..

Al snel werden er afspraken gemaakt om het onderwaterschip te dubbelen. In overleg met Rijkswaterstaat mocht De Geus op de wal blijven staan zodat Theo Bartels van de Smidse uit Arnhem De Geus van een nieuwe scheepshuid kon voorzien. Tevens was ik in de avonduren en in het weekend samen met een collega druk om de motor te plaatsen, koelwater, uitlaat en het brandstofsysteem aan te passen

Na vele werkzaamheden was het dan zover dat je kon spreken van een veilig en betrouwbaar voortstuwing systeem. Maar er moest nog veel meer gebeuren. Als het aan de zeeverkenners lag, hadden zij het liefst gehad dat alles in een jaar klaar zou zijn. Steeds weer de vraag “Han kunnen we dit en kunnen we nog wat van dat enz……..”

Mijn standpunt naar hun toe was “Luister, we hebben de afgelopen tijd met ons allen keihard gewerkt en niet zonder resultaat. Nu in de zomertijd eerst genieten en daarmee nieuwe energie opdoen. Dan met nieuwe plannen na het vaarseizoen weer aan de slag. En wees niet bang we zullen altijd nog kleine onvolkomenheden tegenkomen die we direct moeten oplossen.” Zo gezegd, zo gedaan en er werd volop genoten van het tot dusver behaalde resultaat.

Het vaarseizoen eindigde en we gingen weer volop aan de slag. Het vooronder moest opnieuw betimmerd worden, keukenblok en nieuwe slaapbanken met berging maken. Het timmerbedrijf Willemsen uit Gendt was ons zeer te wille. Er kwam een timmerman van hen en we maakten een plan. Met veel ondersteuning van deze timmerman ontstond er een geweldig nieuw vooronder met keukenblok en twee slaapplaatsen, verlichting werd aangebracht en de verroeste ramen werden vervangen

En dan het achteronder. We maakten plannen voor berging en slaapplaatsen, er kwam een nieuwe vloer in, vernieuwde patrijspoorten en verlichting. Ondertussen werd er rond om het schip overal roest gebikt en gegrond om in het voorjaar alles mooi in de lak te zetten. Als ik even tijd had zat ik tussen de middag aan boord en avonds na het werk sleutelde ik wat of zette weer een stukje in de verf. Op zaterdag of zondag kwamen die kanjers en gingen we samen verder, niets was ze te veel.

Een bekende relatie stelde twee vaten met ieder 200 liter brandstof ter beschikking. Die brandstof werd in de bunkers gepompt, maar al snel bleek dat de pakking van het mangatdeksel lek was! Als een speer de brandstof terug in de vaten pompen. Nieuwe pakkingen gemaakt en toen maar weer opnieuw met de vleugelpomp in de bunkers gepompt. Siem Coljee en Theo Boekhorst hadden er een mooie taak aan en toen de tanks vol waren hadden we weer brandstof genoeg voor 50 uur vaarplezier.

Op het dak van het stuurhuis werd een luidspreker gemonteerd zodat vanuit het stuurhuis opdrachten of waarschuwingen konden worden gegeven aan de sleepbemanning. Verder hadden we nog een 27 Mc bakje waarmee je radio contact kon maken met de omgeving. Ik ging op zoek naar een marifooninstallatie zodat we tijdens de vaart contact konden maken met sluizen en de overige scheepvaart op de rivier. Tevens konden we tijdens  een sleepreis op weg naar het zomerkamp via Radio Scheveningen contact maken met telefoon aan de wal. Veel marifoons werden in die tijd vervangen door nieuwe typen en zo kreeg ik van Radio Holland uit Rotterdam een vervangen marifoon ter beschikking die goedgekeurd en gecertificeerd was door Kust- en ScheepsRadio (KSR). We kregen een oproep nummer PD ……. en zo ging er weer een nieuwe wereld open.

Inmiddels zijn we weer een paar jaar verder en er blijven altijd  nog dingen die verbeterd kunnen worden zoals het roer en stuurwerk. Vanuit het stuurhuis liep een dikke ketting over de vloer van stuurboord naar bakboord via het gangboord kwam die uiteindelijk op een groot kwadrant op het achterdek terecht. Als je stuurde dan piepte en kraakte het van alle kanten door veel speling op de roerkoning, kettingen en lagers. Besloten werd om het stuurwerk te vervangen door een hydraulisch stuurwerk. Bij de Firma Peters uit Doornenburg konden we “uit het water” en voor een lange tijd op de wal staan.  Zij leverde veel materiaal en hand- en spandiensten. Zo werd het roerwerk hydraulisch aangepast, de hak van het roer aangepast zodat de diepgang verminderde, het onderwaterschip werd schoon gemaakt en opnieuw in de teer gezet en zo was De Geus weer klaar voor het volgende vaarseizoen.

Weer gingen jaren voorbij en werd er volop genoten en gebruik gemaakt van de Geus. De praktische vaarkennis van de Geuzen steeg ten top, zowel bij de jonge mannen als -vrouwen in de groep. Dit werd door anderen groepen gezien en er werd gevraagd om deze kennis over te brengen naar andere groepen met gebruikmaking van De Geus. Maar ja, de tekenen des tijds van het schip werden duidelijke zichtbaar. Onderwater was alles prima, maar de berghouten, gangboorden en boeing waren aan vervanging toe. De vader van Bas Kleynjan kwam met een oplossing: De Geus kon naar de RDM-werf in Rotterdam en daar zouden ze voor de leerschool er een project van maken!

Zo gezegd, zo gedaan. Op naar Rotterdam. Uit het water, in de hal en tussen de onderzeeboten werd De Geus opgeknapt. Ook maakten wij gebruik van deze gelegenheid om het nodige onderhoud te doen. Na een paar weken verlieten wij de RDM en voeren de Waalhaven uit richting  Arnhem. Geweldige ervaring en een opgeknapte Geus

Ik kan nog wel uren doorschrijven over mijn geweldige tijd bij De Geuzen en misschien zijn er wat dingen vergeten; voor mij is het alweer een lange tijd geleden. Maar ik ben trots op al die gene die na mijn tijd bij De Geuzen alles goed hebben opgepakt en dat daardoor De Geus in alle glorie nog steeds in de vaart is.

Groetjes Han Buurman

april 2017

Zonder de medewerking van al die mensen om mij heen had ik het ook niet gekund.

Samen er voor staan en het “wij gevoel” hebben de doorslag gegeven voor dit succes.

1953 Mijn eerste verkennerskamp

Het eerste verkennerskamp waar ik, 12 jaar oud, aan deelnam was in de zomervakantie van 1953.

De verkennerstroep van De Geuzen hield dat jaar voor het eerst een zomerkamp aan/bij het water in Giethoorn. Hopman Zweers had tijdens zijn werkzaamheden daar een aardig plekje ontdekt in een weiland naast Café Restaurant “de Waterlelie”.

De verkenners gingen altijd per fiets op kamp, maar 100 km fietsen vond de leiding voor de 12-jarigen te ver. Wij gingen daarom samen met oûbaas Stigter eerst een stuk met de bus. In die tijd nam de busmaatschappij de Gelderse Tram Wegen nog fietsen mee boven op de achterzijde van het dak van hun bussen. Bij de GTW-opstel-plaatsen in de Coehoornstraat, tegenover het station in Arnhem, werden onze fietsen opgeladen. Wij met onze bagage, waaronder een door mijn vader van een collega geleen-de slaapzak, in de bus en toen op weg naar Deventer.

Vandaar fietsten we via Olst en Wijhe naar Zwolle. In deze stad had de oûbaas aan de Deventerstraatweg familie wonen. We aten daar ons brood en rustten wat uit.

De route ging verder via onderstaande brug over het Zwartewater bij Hasselt naar   Zwartsluis en vandaar langs de Arembergergracht. Onderweg kwamen we de eerste 2-planks bruggetjes tegen die zo kenmerkend voor deze streek zijn.

In Beltschutsloot werden we met dit, met de hand getrokken, pontje naar de overkant van de Arember-gergracht gezet.

Over smalle fiets-paadjes en dito bruggetjes ging het verder. Met je bagage op je kleine fiets was het wel eng om op zo’n bruggetje te fietsen. Je kon soms op de op- en afrit van zo’n brug je voorwiel niet op de grond houden vanwege het gewicht van je bagage. Je werd trouwens ook moe, want zo’n inspannend stuk had je nog nooit gefietst. Het kon dan ook niet uitblijven dat bij het afrijden van het zoveelste bruggetje ik met mijn voorwiel van de plank af reed en voorover van mijn fiets duikelde. Gelukkig kwam ik niet in het water terecht, waar wel met mijn hand in het prikkeldraad. Pleister er op en weer verder.

Tussen Beulaker- en Belterwijde lag gelukkig weer een breed zandpad[1] met daarnaast, middels paaltjes afgezet, een schelpenpad voor fietsers. waarover je bij de Blauwe Hand kwam. Vandaar was het nog slechts enkele kilometers naar ons terrein naast Café Restaurant de Waterlelie[2]. Deze ansichtkaart stuurde ik naar mijn ouders, waarschijnlijk op hun verzoek…. De oudste verkenners hadden inmiddels de tenten al opgezet.

De patrouille de Eekhoorns, daar hoorde ik bij, kwam in een één-stoks ronde tent (in camouflage-kleuren) te slapen: de “lekke onderzeeër” noemden ze hem. Dat beloofde weinig goeds bij regendagen. Ik had trouwens wel een klein probleempje. Thuis had ik nog steeds de gewoonte om op mijn rechter ring- en middelvinger te zuigen om zo in slaap te vallen. Ik vond zelf dat je dat bij de verkenners niet meer kon doen; de andere jongens zouden me waarschijnlijk uit lachen. Maar gelukkig viel het mee, ik was te moe en viel in slaap zonder op mijn vingers te sabbelen. Sinds dit kamp was deze gewoonte voorbij!

De leiding had voor dit kamp de jongens in drie patrouilles verdeeld. De gehele week hadden we de beschikking over twee houten punters. Eén patrouille mocht de gehele dag met zo’n punter, waarbij ook een zeil en een vaarboom aanwezig waren, op pad. De andere patrouilles wisselden elkaar tussen de middag af. Zij die ’s ochtends in het kamp bleven ruimden het kamp op en maakten de broodmaaltijd, de middagploeg maakte de warme maaltijd.

Het Bovenwijde (meestal uitgesproken als Bovenwiede) is een meer ten oosten van Giethoorn, ongeveer 2 kilometer lang en 1 kilometer breed. Het is ongeveer 1 meter diep, met uitzondering van het uiterste zuiden waar door zandwinning en het opspuiten van een recreatie- eiland in het midden, een veel grotere diepte is ontstaan. Het meer heeft over het algemeen een harde zandige bodem, waardoor er goed geboomd kan worden, wat vroeger ook veel gebeurde met behulp van punters, vlotten en bokken.

Een geweldige ervaring om, al bomende, met zo’n punter door het dorp te varen. Op het Bovenwijde kon je prima zeilen indien je wist hoe je met het zwaardje, tegen het afdrijven, moest omgaan. Want de punters hadden maar één zo’n zwaard, waarschijnlijk uit kosten overweging.  Bij het overstag gaan moest dat zwaard dan op het juiste moment én snel uit het water gehaald worden en worden omgehangen naar de andere zijde van de boot. Bij één van deze manoeuvres verloor de leider die bij ons aan boord was zijn polshorloge. Lange tijd hebben we met z’n allen, kijkend over de rand van de boot, de bodem afgetuurd. Nu, omstreeks 2000, zou je het niet meer geloven, maar toen was het water nog glashelder. We vonden het horloge niet, het was kennelijk onder het zand verdwenen.

Op een van de avonden was er met beide punters een vaartocht. Leiders en enkele jongens waren aan boord. Aan de overzijde van het Bovenwijde werd er op verzoek van de leiders aangeland voor een plaspauze. Angst voor de duisternis? Oûbaas Stigter, hopman Zweers en vaandrig Jorritsma (van de ZT?) gingen van boord.  Zachtjes voeren de punters weg van het eiland, zonder de plassers …. en keerden terug naar de kampplaats. Dikke pret natuurlijk! In de slaapzakken wachtte ieder-een af hoe het zou aflopen. Zouden ze lopende door het water gaan? Nee, op dat eiland stond een huis waar geen licht brandde en daar lag een punter naast. Die wilden ze gebruikten om terug te keren totdat uit een bovenraam geroepen werd! De oûbaas (een jurist) heeft zich verontschuldigd en uitgelegd wat er aan de hand was. De punter zou de volgende morgen terug gebracht worden. Hoe de reacties bij terugkomst waren kan ik me niet meer herinneren; waarschijnlijk was ik al in slaap gevallen.

Als je voor het eerst op zomerkamp[3] ging dan hoorde je de kampdoop te ondergaan. Dat gold ook voor ons. Op een avond werden de nieuwelingen, gekleed in hun zwembroek met daaroverheen een jas, door een leider naar het Bovenwijde gevaren. Daar aangekomen moest je over boord stappen, het is daar ongeveer 70 cm diep, en op weg naar Neptunus gaan. Een oudere verkenner getooid met een omgekeerde pan op z’n hoofd en een baard van riet vervulde de rol van Neptunus. Enkele anderen fungeerden vermomd als zijn secondanten. Zij smeerden je helemaal in met modder, kreeg dan een “vissendrol”[4] te eten en moest je dan onder water reinigen. De oudste jongens hadden de lol, de groentjes stonden te bibberen van spanning.

Deze foto is door buurman Trippensee genomen toen ik vermoeid op 1 Augustus 1953 thuis kwam. Van die jas herinner ik mij dat hij, evenals mijn fiets, tweedehands was.

 

 

 

 

 

 

 

[1] Later is over deze dam de weg Beukers-Blauwe Hand aangelegd.

[2] De ansichtkaart die ik in 1953 aan mijn ouders stuurde.

[3] Eind 2019 hoorde ik van mijn nicht Ria van Wier-Taanman: “Als jij met de scouting op stap was, heb ik vaak gelogeerd bij jouw ouders en Tom”

[4] Dat was een stuk nat gemaakt roggenbrood met veel zout en peper er in.

De foto’s van de GTW-bus, de brug bij Hasselt en het trekpontje zijn in 2021 van internet “geplukt”